Abonneer Log in

Excelleren door te segregeren

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 9 (november), pagina 37 tot 41

'Heel wat kwaliteitsindicatoren staan in het rood', heft het Vlaamse bestuursakkoord aan. Men verwijst hiervoor naar de dalende PISA-resultaten voor onder andere leesvaardigheid, wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. Dat de beleidsmakers hierop de aandacht vestigen is terecht. Het onderwijs moet zich de vraag stellen of het op bepaalde sleutelcompetenties wel echt voldoende effectief is. Alleen is de oorzakelijke verklaring – kwaliteitsverlies door te ver doorgeschoten onderwijsvernieuwing – kort door de bocht. De negatieve tendens tekent zich ondertussen ruim anderhalf decennium af. De zogenaamde onderwijsvernieuwingen hiervoor met de vinger wijzen is nogal tendentieus en gemakzuchtig. De dalende trend tekenende zich al af voordat er sprake was van de onderwijsvernieuwing, die bovendien door de vorige en huidige regering maar heel beperkt is doorgevoerd. Misschien moeten we de vraag durven omkeren, en ons afvragen of de oorzaak niet eerder te vinden is in het uitblijven van noodzakelijke vernieuwingen in het onderwijs.

De regering-Jambon beweert wel degelijk te hebben geluisterd naar het onderwijsveld, maar hoorde daarbij vooral de stemmen die een geromantiseerd beeld van een heerlijk onderwijsverleden vertolkten. Met bepaalde symbooldossiers, zoals het afschaffen van het M-decreet en populaire maatregelen zoals 'laat de leerkracht gewoon weer lesgeven', dekt men toe dat men eigenlijk een conservatief verhaal wil vertellen over onderwijs.

Het verketterde M- decreet loopt hierbij op kop. De invoering van dat decreet kreeg bakken kritiek te verwerken. Maar de kritiek ging vaak over middelen, en had dus weinig te maken met de ambitie voor inclusiviteit, die nastrevenswaardig blijft. Want zeg nu zelf, wie wil er zijn kind – wat zijn of haar beperking ook is – niet liever een plaats tussen leeftijdsgenoten geven, mits hiervoor de nodige ondersteuning kan worden geboden?

Overigens, leerkrachten zitten werkelijk niet te wachten op een terugkeer naar de leerkracht als 'cavalier seul', die achter de gesloten deuren van zijn of haar klaslokaal gedurende een lesuur de leerlingen onderricht in de door hem of haar verworven kennis, met het finale doel dit door de leerlingen te laten reproduceren. Leerkrachten willen samen in team de ademruimte krijgen om hun passie ten volle te kunnen inzetten voor wat zij belangrijk vinden in onderwijs: betrokkenheid kunnen tonen, in dialoog gaan met hun leerlingen over wat hen boeit en over de leerstrategieën die ze toepassen, tijd maken om leerlingen uit te dagen op hun niveau en met groepsdynamische processen aan de slag gaan. En hierdoor veel duurzamer onderwijs realiseren dan al wie beweert dat de leerstof er maar in gedreund moet worden.

INNOVEREN OM TE EXCELLEREN

Ook binnen het studieaanbod wil men komaf maken met de vele experimenten die momenteel op scholen lopen. Men wil vasthouden aan de 'eenvoudige en uniforme tabel voor heel Vlaanderen'. De brede eerste graad is terug naar af. Een minimaal aantal uren wiskunde en Nederlands vormen daartoe de eerste aanzet. Uniforme tabellen, netjes opgedeeld in verschillende onderwijsvormen en vakken, met onwrikbare schotten daartussen, bestendigen het onderwijs als monoliet. Maar dat bijvoorbeeld de sleutelcompetenties voor Nederlands, en heel wat andere vakken, gerealiseerd kunnen worden via clustering en betekenisvolle projecten die nauw aansluiten bij de 'echte' wereld van morgen, lijkt men te vergeten. Laat ons eerlijk toegeven dat de gereedschapskoffer van leerlingen die de schoolbanken verlaten, veel rijker gevuld moet worden. Het brede scala aan vaardigheden en competenties die vandaag onontbeerlijk zijn om een academische of professionele carrière aan te vangen of als mens actief te participeren aan de samenleving, daagt het onderwijs steeds opnieuw uit om zijn missie, en dus zijn werking, grondig in vraag te stellen. Net om die ademruimte te creëren, is er nood aan innovatie in plaats van stagnatie. Zolang we uitgaan van het principe 'one size fits all' zijn we eraan voor de moeite. Men gaat terug naar een bijna op industriële leest geschoeide standaardisering, waarbij op een machinaal eenvormige manier aan vooraf opgelegde leerdoelen wordt gewerkt. Onderwijs moet vooral meer kunnen personaliseren. De technologische middelen zijn er rijp voor.

Wat betreft de kijk op onderwijs en op de rol van leerkrachten, vertoont het nieuwe regeerakkoord een opmerkelijke paradox. Enerzijds spreekt men zich uit voor het vertrouwen in de leerkracht en diens unieke rol in het leven van een kind, anderzijds fnuikt men diens creativiteit door het keurslijf strakker aan te spannen. Geef leerkrachten én leerlingen op het niveau van de scholen zelf ruimte om binnen een team na te denken over hoe 'hun' onderwijs nog beter kan aansluiten bij de noden van een steeds sneller veranderende samenleving en de uitdagingen, die zich ook echt in het leven van kinderen en jongeren manifesteren. Het invoeren van een zogenaamde canon is als het ware exemplarisch voor het hele regeerakkoord, dat alle heil zoekt in ouderwetse standaardisering.

EXCELLENTIE GAAT HAND IN HAND MET GELIJKE ONDERWIJSKANSEN

Vlotjes gaan onze beleidsvoerders voorbij aan een ander alarmerend cijfer in de PISA-resultaten. Die cijfers wijzen namelijk ook uit dat ons gerenommeerde Vlaamse onderwijs de sociale ongelijkheid reproduceert, bestendigt en zelfs versterkt. Als we spreken over de omvang van de prestatiekloof tussen kansarme en kansrijke leerlingen in Vlaanderen behoren we tot de kopploeg van alle OESO-landen: een weinig benijdenswaardige positie. Nergens blijkt de sociaaleconomische achtergrond van leerlingen zo bepalend voor hun prestaties op school als in Vlaanderen.

Zijn er maatregelen nodig? In een meritocratische samenleving schrijft men het succes van een individu louter toe aan de eigen verdienste. Moeten we ons niet wat bescheidener opstellen? Succes is (ook) het resultaat van een complex samenspel tussen eigen talenten en de omgeving, tussen de eigen volgehouden inspanning en de kansen die men maatschappelijk geboden kreeg. Ontslaat men zichzelf door de bal in het kamp van de kansarme te leggen niet te veel van zijn verantwoordelijkheid als beleidsmaker?

Dat men in Vlaanderen kiest voor excellent onderwijs valt vooral toe te juichen. Dat is immers de gedeelde ambitie van eenieder die op welke manier dan ook met onderwijs en opvoeding bezig is. Toch moeten we erover waken dat we dezelfde taal spreken. Excellent onderwijs laat zich immers niet vertalen in de hoge scores van een kleine groep toppresteerders alleen. Excellent onderwijs betekent dat alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond, optimale leerwinst boeken.

Eén van de verklaringen voor de enorme kloof tussen de prestaties van kansrijke en kansarme kinderen is dat leerlingen in Vlaanderen op vrij vroege leeftijd een studiekeuze moeten maken. In landen waar dit op latere leeftijd gebeurt, is het onderscheid tussen de 'toppresteerders' en de 'lagere presteerders' minder uitgesproken. Het besluit van de regering om de brede eerste graad af te voeren is een gemiste kans om de studiekeuze eindelijk echt uitgesteld te krijgen, en de kloof tussen kansrijk en kansarm dus kleiner te maken.

In veel gevallen is er zelfs geen sprake van een vrije keuze – waar de regering de mond van vol heeft – maar worden ze via een systeem van attestering en studieoriëntering 'toegeleid' naar die onderwijsvormen of studierichtingen, die in de algemene perceptie als 'minder kwaliteitsvol' worden beschouwd. Er zijn voldoende onderzoeken die aantonen dat kinderen uit sociaaleconomisch kwetsbare milieus – en daarbij moeten we helaas vaak ook de groep kinderen met een migratieachtergrond rekenen –, vaker terechtkomen in de B-stroom of in het TSO of BSO, dat geheel onterecht wordt 'ondergeschikt' aan het ASO. Het gevolg is het ontstaan van die andere opdeling tussen 'excellente' en zogenaamde 'zorg- en of concentratiescholen'.

De Commissie-Monard hield daarom destijds een sterk pleidooi voor domeinscholen. Dergelijke domeinscholen zouden een hefboom kunnen zijn om de breuklijnen tussen de schotten (ASO/TSO/BSO/KSO) te overbruggen en de leerlingen meer kansen te bieden om afhankelijk van hun talenten diverse leerdoelen op verschillende niveaus te behalen. Dat zou de (onterecht) negatieve keuze voor TSO of BSO – de fameuze 'onderwijswaterval' – kunnen keren.

De keuze van deze coalitie om de onderwijshervormingen niet consequent door te voeren en dus niet echt in te zetten op gelijke kansen, zal de kansen op excellentie bij heel wat leerlingen blijven afremmen. En dat kunnen we ons als gemeenschap eigenlijk niet permitteren.

SEGREGATIE ZIT IN DE GENEN VAN ONS ONDERWIJSSYSTEEM

Het segregatieproces start al heel vroeg – eigenlijk al in de kinderopvang – maar het doet zich versterkt voor op het ogenblik dat leerlingen een school in het secundair onderwijs moeten kiezen.
Door de opdeling in 'excellente' en zogenaamde 'zorg- of concentratiescholen' zijn scholen overgeleverd aan een soort marktlogica. Dat de 'zorg- en concentratiescholen' op die markt in het nadeel zijn, zal u als lezer niet verwonderen. Ze huisvesten binnen hun muren immers jongeren uit kwetsbare groepen. Maar het gaat verder dan dat.

Ook bij de schoolkeuze speelt de sociaaleconomische achtergrond een rol. Ouders uit kansarme middens zijn minder geneigd om hun kinderen in de 'excellente' scholen in te schrijven. De redenen hiervoor zijn divers, maar hierdoor ontstaat de facto een opdeling in het Vlaamse onderwijslandschap: de 'witte' ASO-scholen blijven exclusief wit en excellent, de BSO-scholen krijgen een overmaat aan leerlingen met negatieve ervaringen, en dus met bijzondere leernoden – ook om beroepsvaardigheden aan te leren. Dit beïnvloedt het 'imago' van die scholen bij ouders. Het inperken van de voorrangsregels voor kansengroepen – de fameuze afschaffing van de 'dubbele contingentering' – ontneemt het onderwijs bovendien opnieuw een belangrijk middel om de sociale mix te bewerkstelligen en houdt het systeem van gesegregeerd onderwijs in stand. Hierdoor groeien kinderen aan beide uiteinden van het spectrum op in een soort bubbel, elk met zijn eigen sociale en maatschappelijke conventies. Er is weinig onderlinge socialisering en onderlinge dialoog. En er ontstaat weinig 'interculturaliteit' die nochtans nodig is om onze 21e eeuwse samenleving sociaal en warm te houden.

OP NAAR EEN SCHITTEREND VLAAMS ONDERWIJS

Onderwijs staat voor een complexe uitdaging. De tegenvallende PISA-resultaten zijn een terecht aandachtspunt. Als overheid moet je er echter durven van uitgaan dat elkeen die in het onderwijs werkt, vanuit een fundamenteel engagement vertrekt. We maken samen school om jongeren te laten groeien in de brede zin van het woord én met het oog op een betere samenleving. De vraag stelt zich hoe een overheid ontwikkelingsgericht onderzoek kan stimuleren net door te diversifiëren in plaats van te standaardiseren. Ondersteun scholen door actief te verbinden in plaats van onderwijsverstrekkers en -ondersteuners tegen elkaar uit te spelen. Laat ons gezamenlijk nadenken over hoe we nieuwe, innovatieve ingrepen en onderwijssystemen kunnen verkennen eerder dan deze in te perken. Zoek naar een manier om de kwaliteit te garanderen en te monitoren, ook in een systeem waar uniformiteit niet meer de norm is, maar bewaak tegelijk minutieus de principes van gelijke kansen, en voorzie de nodige middelen zodat elke leerling op zijn maat kan excelleren.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 9 (november), pagina 37 tot 41